De haalbaarheid van het Klimaatakkoord

In het publicitaire geweld van de afgelopen periode rond de afschaffing van de dividendbelasting hebben een paar interessante onderzoeken niet de (politieke) aandacht gekregen die ze eigenlijk verdienen. Want alles rond het Nederlands Klimaatakkoord zal de gemiddelde Nederlander de komende jaren direct of indirect raken. Voldoende reden om een en ander toch nog eens onder de aandacht te brengen want de inhoud zou toch de nodige zorgen moeten geven over de financiële haalbaarheid. Laten we eens beginnen met de beoordeling door het Centraal Plan Bureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Beoordeling CPB en PBL

Beide organisatie komen tot de conclusies dat het Klimaatakkoord niet concreet genoeg is om tot een doorrekening te komen. Het PBL heeft nog wel een analyse gemaakt van het “WAT” (= welke maatregelen), maar niet van het “HOE”. Letterlijk staat hierover in het rapport:  “Pas wanneer ook ‘het hoe’ bekend is kan het PBL beoordelen welke effecten daadwerkelijk van de voorstellen verwacht mogen worden. Alhoewel enkele uitzonderingen bestaan, betekent dit in algemene zin dat het verwachte effect van het Klimaatakkoord vooralsnog niet te bepalen is. Dat geldt zowel voor de verwachte milieueffecten, verwachte kosten, lastenverdeling, ruimtelijke effecten als arbeidsmarkteffecten. Het voorstel is als zodanig dus nog niet doorrekenbaar. Technisch gezien bieden de in kaart gebrachte maatregelen voldoende potentieel om de emissiereductiedoelen te halen.” Vrij vertaald betekent dit dus dat alles technisch moet kunnen. Maar het is volstrekt onduidelijk hoe de overheid dit voor elkaar moet zien te krijgen. Het PBL verwacht dat de extra kosten per jaar circa 3 tot 4 miljard Euro zullen bedragen. Wie dat moet gaan betalen is niet duidelijk maar de onderzoekers gaan er wel van uit dat er alleen een oplossing bedacht hoeft te worden voor de financiering van het onrendabele deel. Dit blijkt o.a. uit de volgende passage: “Zowel bij corporaties, dienstensector als particulieren is nog onduidelijk wie het onrendabele deel van investeringen gaat betalen.” De veronderstelling dat corporaties zonder problemen de benodigde investeringen kunnen doen komt echter door recent onderzoek van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) in een geheel ander daglicht te staan.

WSW onderzoekt duurzaamheidsinvesteringen

Als partij die borg staat voor het aangetrokken vreemd vermogen van corporaties heeft het WSW er alle belang bij om te onderzoeken of er wel voldoende borgingsruimte bestaat om alle benodigde investeringen te kunnen financieren. Nadat het WSW in februari jl. hierover de noodklok al had geluid, heeft zij hier opnieuw onderzoek naar gedaan. Ook nu zijn de conclusies niet mis te verstaan: het is onhaalbaar om de woningen van corporaties in 2030 op gemiddeld label A te brengen. Hierbij is zelfs nog geen rekening gehouden met eventuele extra nieuwbouwinvesteringen omdat de betreffende gemeente dit zo graag wil opnemen in de prestatieafspraken. Kortom, het is dus niet eens een discussie wie het onrendabele deel van de investeringen gaat betalen, voor het rendabele deel is zelfs onvoldoende investeringsruimte beschikbaar om de woningen in 2030 op label A te krijgen, laat staan energieneutraal in 2050. Het WSW heeft in haar onderzoek ook berekend wat het effect zou zijn van de ruimte die zou ontstaan als de antibelastingontwijkingswet ATAD niet op corporaties zou worden toegepast en/of de verhuurderheffing zou worden gehalveerd (netto dan nog steeds €1 miljard afdracht!). Hieruit blijkt dat met name de halvering van de verhuurderheffing een significante verbetering laat zien op de haalbaarheid van gemiddeld label A in 2030.

Conclusies

De duurzaamheidsambities van Nederland zijn op dit moment op geen enkele wijze door te rekenen op haalbaarheid en realiteitsgehalte. Dat is zorgelijk. Als echter blijkt dat de sector met 30% van de gehele woningvoorraad in eigendom, dankzij discutabele overheidsmaatregelen, niet in staat is om zelfs maar de eerste stap in deze duurzaamheidsambities te realiseren dan wordt het ergerlijk. Want dan draaien willens en wetens kwetsbare groepen op voor de gevolgen (lees: huurverhoging, hogere energielasten, etc.). Kennelijk was de commotie over de afschaffing van de dividendbelasting een makkelijkere manier om te scoren bij de achterban dan het terugdraaien van forse heffingen en belastingmaatregelen die ten koste gaan van het besteedbaar inkomen van een zeer substantieel deel van de Nederlanders.

Geef een reactie